Meer is niet altijd beter: Actiegroep Hoger Onderwijs reageert na mediastorm

De open brief die we eergisteren lanceerden heeft heel wat reactie uitgelokt. We zijn in de eerste plaats dankbaar voor de ondertussen meer dan 4300 ondertekenaars van onze petitie. De reactie van de Vlaamse rectoren om ons te ontvangen voor overleg stemt ons ook zeer optimistisch. Om de beleidsmakers te ondersteunen, zullen wij nu eerst in samenwerking met de Jonge Academie, Onderzoekers in Actie en de Slow Science beweging een commissie van geëngageerde en geïnformeerde academici samenstellen. Die zal concrete voorstellen uitwerken rond kwalitatieve evaluatiecriteria, de verhouding van tijdelijke tot vaste statuten, gender, maatschappelijke dienstverlening, etcetera. Iedereen is verder welkom ons daaromtrent ideeën en informatie te geven. Een aanzet daartoe is al gegeven door de vele commentaren bij onze petitie en de reacties in de pers. Aangezien we met de open brief slechts het debat wilden openen, zullen we deze commentaren en kritieken zeker ter harte nemen.

Uit een aantal van de reacties in de media is echter gebleken dat onze open brief soms verkeerd begrepen wordt, bijvoorbeeld als een wens om niet meer te publiceren op topniveau of om alle evaluatiecriteria af te schaffen en terug te keren naar vriendjespolitiek. Dat willen we bij deze rechtzetten.

Ten eerste willen we verduidelijken dat publicatiedruk niet het enige probleem is dat we willen aankaarten. Het is de combinatie van een overdreven focus op aantallen publicaties van een bepaalde soort (internationaal en A1) met interne concurrentie en te weinig doorgroeimogelijkheden die zorgt voor de werkdruk. Als slechts 1 op de 13 beginnende onderzoekers kans maakt om zijn job te kunnen blijven uitoefenen in het Vlaamse academisch landschap, leidt dat uiteraard tot demotivatie. Stressbestendigheid is vandaag de dag minstens even belangrijk in een academische loopbaan als intellectuele capaciteiten. Wij zijn niet uit op een al te makkelijke loopbaan voor onderzoekers, zoals André Oosterlinck in De Morgen (22/08/13) laat uitschijnen. Wij willen een job die door een diversiteit aan personeel kan worden uitgevoerd, ook bijvoorbeeld jonge ouders. En dat willen we niet enkel omwille van onszelf, maar ook omdat we ervan overtuigd zijn dat onderzoek dat in een dergelijke context gebeurt beter, creatiever en innovatiever is.

Ten tweede trekken wij de noodzaak van publiceren in internationale tijdschriften van topniveau niet in vraag. (cf Marc Hooghe in De Tijd (21/08/13)) Dat internationale toptijdschriften geen ‘rommel’ publiceren, treden wij uiteraard bij. Onder de initiatiefnemers en ondertekenaars van onze petitie zijn er dan ook heel wat onderzoekers met een uitgebreide publicatielijst waar ze zeer trots op zijn. Omwille van de inhoud, niet omwille van de aantallen. De mensen die Marc Hooghe aanhaalt die ‘vier tot zes jaar door de gemeenschap fulltime betaald worden’ en ‘blijkbaar nooit de tijd’ vinden ‘om hun werk eens te laten beoordelen door een internationale jury’, dat zijn wij alvast niet.

André Oosterlinck (De Morgen, 21/08/13) vreest dat onze petitie Vlaanderen zal weerhouden de top te bereiken. Wij hebben echter vraagtekens bij de criteria die bepalen wat de top is. Volgens ons betekent “het bereiken van de top”: aan onderzoek doen dat op internationaal niveau innovatief is, onderwijs geven van hoge kwaliteit, en ons op een geëngageerde manier inzetten voor de maatschappij. Het is op deze manier dat we iets terugdoen voor de investeringen van de belastingbetaler. Een verdrievoudiging van het aantal publicaties van de Vlaamse universiteiten  (cf het opiniestuk van Fientje Moerman (DS 21/08/13)), of een stijging van een paar plaatsen in de Shanghai-ranking, dat zegt niets over kwaliteit. Meer is niet altijd beter.

De uitspraken van Freek Van De Velde (De Tijd, 21/08/13) wijzen er ons  terecht op dat kwalitatieve criteria complexer zijn dan kwantitatieve. Maar zijn uitspraak dat aanstellingscommissies moeilijk alle publicaties kunnen nalezen lijkt ons problematisch. In de rest van de wereld, met name in Angelsaksische topuniversiteiten als Oxford, Cambridge, Harvard of Columbia, is dat namelijk net de standaard. Buitenlandse collega’s vallen achterover van verbazing (en bezorgdheid) wanneer ze horen dat Vlaamse academici benoemd worden zonder dat hun publicaties gelezen worden. Als er iemand kan oordelen over de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek, zijn het toch de experts van het onderzoeksveld zelf?

Wij willen niet terug naar vriendjespolitiek om een academische loopbaan op te bouwen. Maar de focus op het aantal A1-publicaties leidt tot nieuwe kwalen. We zien meer dan eens tijdelijke posities verschijnen om zoveel mogelijk publicaties binnen te rijven, om na drie jaar die persoon te vervangen door een verse doctor. De A1 fetisj leidt daarnaast tot een onderwaardering van (Nederlandstalige) publicaties voor een breed publiek, opinievorming en wetenschapscommunicatie, en kwalitatief (dus tijdrovend) onderwijs. Het feit dat onderwijservaring en maatschappelijke dienstverlening weinig plaats krijgt in de carrièreopbouw van jonge academici verarmt onze universiteiten, en de samenleving in het algemeen.

We pleiten niet voor het afschaffen van evaluatiecriteria op zich, maar wel voor andere, meer doordachte criteria. Criteria waar wij de komende periode aan zullen werken, samen met collega’s met verschillende disciplinaire en institutionele achtergrond. Kunnen we samen een nieuwe universiteit en nieuwe hoge scholen creëren die op een zinvolle manier aan excellent onderzoek, maar ook excellent onderwijs en maatschappelijke dienstverlening doen? Durven we onze universiteiten te evalueren zonder enkel te meten?

6 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

6 Reacties op “Meer is niet altijd beter: Actiegroep Hoger Onderwijs reageert na mediastorm

  1. Freek Van de Velde

    Even een reactie, omdat ik met naam genoemd word in het stuk. Ik betwijfel dat benoemingscommissies in “Oxford, Cambridge, Harvard of Columbia” alle stukken van sollicitanten ook echt gaan lezen. Even doorrekenen leert trouwens dat dat helemaal niet kán als je voor bepaalde posities tientallen, soms honderden kandidaten hebt die elk tientallen, soms honderden artikelen en boeken geschreven hebben. Het helpt als je aan sollicitanten vraagt een lijstje te geven met hun vijf beste publicaties en hen zelf laat uitleggen waarom die relevant zijn, maar daarmee vlak je wel het verschil uit tussen iemand die vijf goede artikelen heeft gemaakt en iemand anders die honderd even goede artikelen heeft gemaakt. Precies daarom zijn maten als de h-index in het leven geroepen. Niet dat die perfect zijn natuurlijk: de h-index gaat sneller omhoog in onderzoeksdomeinen met veel lezers, en de database waarop die gebaseerd is, is niet goed in het opvissen van Nederlandstalige artikelen, maar nutteloos is zo’n instrument allerminst. Waar het om gaat, is dat je alle beschikbare gegevens naast elkaar moet leggen. En het kwantitatieve aspect van publicaties is daar één van. Zoals Bart De Strooper in De Standaard (23/8/2013) opmerkt, is dat lang niet het enige criterium dat nu gehanteerd wordt bij beoordelingen allerhande.
    De wetenschappelijke methode bestaat erin anekdotische observaties samen te brengen onder generalisaties. Dat is wat we allemaal doen in ons eigen onderzoek. Maar laat die bibliometrische maten nu net een manier zijn om in de anekdotische opmerkingen over ‘kwaliteit’ orde te scheppen. Ik bepleit geen verheerlijking van blinde tellingen door cassières of apothekers, en ik onderschrijf de stelling dat meer niet altijd beter is. Maar minder is ook niet altijd beter. Met veel sympathie, Freek Van de Velde (FWO / KU Leuven)

  2. koenvandeneeckhout

    Hoewel ik het graag zou willen, kan ik mij nog steeds niet vinden in de petitie. Mijn argumenten: http://www.koenvandeneeckhout.be/2013/08/publicatiedruk-is-anders-wel-beter/
    Maar ik ben zeker blij dat de discussie wordt opengetrokken en breed wordt gevoerd!

  3. Michael Meeuwis

    Een van de argumenten die ik zie weerkeren in de reacties is dat de humane en sociale wetenschappers niet hoeven te klagen over de A1-lijst, want ze hebben toch de VABB-SHW-lijst. Ook Frank Vandenbroucke vandaag in De Morgen. Fout. In de praktijk beschouwen universitaire onderzoeksraden e.a. de VABB-lijst NIET als equivalent alternatief van de A1-lijst, maar als een categorie daaronder, een A2-lijst of een soort van A2-lijst, ‘minder waard’ dus. Universitaire onderzoeksraden en FWO moeten ministerieel verplicht worden de VABB-lijst als een volwaardig equivalent van de A1-lijst te hanteren, zoniet blijft het probleem bestaan, daar de onderzoeksraden gedomineerd worden door vertegenwoordigers uit vakgebieden waarvoor de A1-lijst wél werkt.

  4. Andreas Weiermann

    Ik wil bij deze graag een algemene bedenking kwijt. Het evalueren van CV’s alleen op basis van impactfactoren kan uiteraard sterk tegenvallen.
    Een bekende analyse van de “nefarious numbers” vind men in: http://www.ams.org/notices/201103/rtx110300434p.pdf
    Bijkomende analyses moeten dus bij beoordelingen eigenlijk een conditio sine qua non zijn.
    Tegenvallen kan ook een bibliometrische vergelijking over verschillende disciplines heen en dat zelfs binnen een vakgebied.
    Wat de wiskunde betreft bestaan er zelfs binnen de wiskunde domeinen waar het gemiddelde aantal publicaties per jaar per autor
    met een factor groter dan tien verschilt. Andrew Wiles is een voorbeeld voor een toponderzoeker met een zogenoemde “lage A1-output”.
    Hij heeft onder ander een befaamd probleem (het Fermatprobleem) opgelost dat voor meerdere honderd jaar open was (en hij is professor in Princeton).
    Andreas Weiermann (UGent)

  5. Gustaaf Cornelis (VUB/UA)

    Het is op eieren lopen als je in de media komt. Een zeer terechte en adequate repliek, collega’s, maar we blijven ons allen schuldig maken aan polarisatie. Nee, universiteiten zijn geen bedrijfjes, evenmin schooltjes, we gaan niet naar vriendjespolitiek. We moeten opletten voor ‘slippery slopes’ in onze betogen. Trouwens, wat volgens mij nog ontbreekt in de hele discussie is de willekeur: twee gelegenheidscommissies kunnen tegenwoordig volstrekt onafhankelijk van elkaar verschillende criteria gebruiken, zelfs binnen een zelfde vakgroep of faculteit. In mijn ervaring (als sollicitant, maar evenzeer als lid van commissies) komen arbitraire keuzes inzake criteria erg vaak voor. In de ene commissie vinkt men A1’tjes aan, in de andere commissie kijkt men naar inhoud. Erg onheus als het om vergelijkbare situaties gaat. Het is natuurlijk bijzonder moeilijk wetenschappelijke output, onderwijscapaciteiten en -opdracht, administratieve en maatschappelijke dienstverlening te vergelijken tussen meerdere kandidaten. Appelen en peren, weet je wel? En wat met de sociale eigenschappen van die mensen? Zouden we daar ook eens geen rekening mee gaan houden? Welke criteria we ook gebruiken, de bibliometrische volstaan alvast niet. Een humane ingesteldheid van commissies zou alvast een grote stap voorwaarts zijn. Collegiale groeten, Gustaaf Cornelis (VUB/UA), ondertekenaar.

  6. In de criteria voor de financiering van de universiteiten zou best ook de evaluatie van het onderwijs van de docenten ingebouwd worden. Er moet nagedacht worden over de wijze waarop dat best kan gebeuren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s